Herstelprojecten werpen vruchten af, maar tempo blijft te laag voor biodiversiteit
De Nederlandse natuur laat op sommige plekken voorzichtig herstel zien, maar het tempo is te langzaam om Europese en nationale biodiversiteitsdoelen te halen. Dat blijkt uit het nieuwe statusrapport van Naturalis over de Nederlandse biodiversiteit.
Voor wie regelmatig dezelfde routes loopt, is dit geen verrassing. In gebieden waar serieus aan natuurherstel is gewerkt – denk aan beekdalherstel, vernatting van veengebieden, of het plaggen van heide – zie je wél resultaten. Meer libellen, helderder water, terugkerende orchideeën. Maar buiten die projectgebieden blijft het zorgelijk stil.
De grote boosdoeners zijn bekend: stikstofneerslag zorgt voor verruiging, waardoor kwetsbare planten het veld moeten ruimen voor brandnetels en bramen. De waterkwaliteit verbetert alleen daar waar actief aan wordt gewerkt. En versnippering van natuurgebieden maakt dat soorten nauwelijks kunnen uitwijken.
Paradoxaal genoeg zijn de overheidsuitgaven voor natuur het afgelopen decennium verdubbeld. Toch blijven de resultaten achter. De EU-natuurherstelwet uit 2024 moet nu het verschil gaan maken, met verplichte herstelprogramma’s en meer ecologische verbindingszones.
Voor wandelaars en fotografen betekent dit: de komende jaren gaan meer gebieden “op de schop”. Tijdelijk minder toegankelijk, tijdelijk minder mooi, maar met de belofte van rijkere natuur op termijn. Houd lokale herstelprojecten in de gaten – dat zijn straks de plekken waar je écht wat te zien krijgt.
De boodschap is helder: herstel is mogelijk, maar alleen waar men er serieus werk van maakt. Wie nu al wil meegenieten, zoekt de gebieden op waar al jaren aan wordt gewerkt – daar is de comeback van de natuur nu al zichtbaar.


